Taal is zegen én vloek. Scheppingskracht én vernietingsmacht.

Want hoe gaat het? Altijd? ‘Er zij licht’, daar begint het mee. Een idee, een scheppingsdaad, een ruimte wordt geopend. En als je verder leest in de verhalen van de Bijbel zie je hoe het altijd gaat: in het verkennen en toe-eigenen van die ruimte ontstaan wetten en regels, geboden en verboden. Met de beste bedoelingen, want we moeten wel. Niemand kan in pure ruimte gedijen, er ontstaat altijd een structuur. Daarmee ontstaat ook altijd het misverstand dat het om de structuur gaat, dat de woorden zelf waar zijn, in plaats van verwijzers naar waarheid. Zo ontstaat dogmatisme, dat zichzelf verstikt – totdat iemand een nieuw scheppingswoord spreekt.

We zien dat in de verhalen over Jezus van Nazareth. Zijn grootste tegenstanders zijn mannen die menen dat iets waar is omdat het geschreven staat. Die de letter van de wet volgen en menen dat dat hen betere mensen maakt. In zijn tijd heetten zij hogepriesters en Farizeeën, tegenwoordig noemen we zulke mensen bureaucraten dan wel neuroten. Dat betekent dus: verreweg de meesten van ons.

De vloek van taal is dat ze zichzelf centraal gaat stellen. Ze wordt een afgod – een overtreding van het eerste gebod, dat alleen God god is en niks of niemand anders.

Taal stelt zichzelf centraal en zo wordt de scheppingsruimte, het leven zelf, eruit geperst. Wij bureaucraten en neuroten doen dat in de wereld buiten ons en in de wereld hier binnen.

We doen dat buiten, want onze cultuur heeft de ziekelijke neiging om regels en protocollen te maken, en kwaliteitssystemen die zo complex zijn dat ze alsmaar meer ruimte innemen. Mensen die in de zorg of het onderwijs werken hebben het er vaak over: dat de balans zoek is, dat de regels de kern van het werk smoren.

Zo worden we bureaucraten, getraind om te denken in regels en wetten. En wat er tussen de regels gebeurt, dat komt in het gedrang. We hebben er geen taal voor of we wantrouwen het. Wat iemand zegt kan marketing zijn, of reclame. Bedrijven liegen dat ze geluk verkopen, politici zeggen iets omdat ze er belang bij hebben. En op Facebook, Twitter, Instagram en Snapchat doet inmiddels iedereen aan zelfmarketing: we venten een beeld van onszelf uit, en hoe leuk ons leven is.

Regulering, marketing, framing. Die taal is dominant in de wereld buiten.

En dan is er ook nog de vloek van de taal hierbinnen. De taal van het oordeel.

Deze winter overviel me een intense somberheid, die me lang in de greep hield. Pas toen ik me er een beetje van los kon maken, viel me op dat er voortdurend nare woorden in mij klonken. ‘Ik ben alweer moe. Ik word ouder. Het beste is er wel vanaf. En het is niet echt gelukt. Wat dan? Zelfs dat weet je niet. Loser. Wat is het toch, dat ik niet pas? Wat doe je nou toch altijd allemaal fout? Sukkel.’

De beschuldiger woont in mij. Alsof er een boos mannetje of vrouwtje voortdurend venijnige tweets zit te versturen, zeggend dat-ie van het vrije woord is of zo, of van de vrijheid zelf. Maar als ik al die boodschappen serieus neem, raak ik alleen maar lamgeslagen. Alle vreugde, alle scheppingskracht vloeit uit me weg. Alle ruimte in mij wordt duister.

Onze taal is zegen en vloek. We scheppen de hemel en de hel, voortdurend, met de woorden die we denken en spreken. We zijn nog maar nauwelijks begonnen dat te zien. Ons bewust te worden.

Toch is dit volgens mij waar religie ten diepste over gaat.

*

Lees hier de volledige tekst van mijn preek in de Dominicus Amsterdam op 1 mei 2016 – De scheppende kracht van taal