Coverfoto: Mark Kohn
Coverfoto: Mark Kohn

‘Slopend mooi’ vindt hij het leven, ‘zo jammer dat het een keer ophoudt’. Tot het zo ver is zal Herman van Veen (69) blijven scheppen, veel en divers. ‘Aan het eind word ik wat ik heb kunnen begrijpen.’

Verschenen in Nestor, tijdschrift van de Unie KBO, juli 2014

Ergens in het gesprek schuift Herman van Veen naar het puntje van zijn stoel. ‘Nu moet ik zoeken naar woorden die ik nog niet vond’, zegt hij, alle letters precies uitsprekend. Zijn ogen worden nog iets lichter, gaan nog iets wijder open.

Een gesprek met Herman van Veen is nogal een opgave, tenzij je er een boek lang over mag doen. Waar te beginnen? Bij de 177 cd’s, de meer dan 70 boeken, de internationale successen, de zeven weken (!) die hij dit najaar in Carré staat? Hij speelt viool, schrijft, zingt, dicht, danst, schildert. Hij schept ook ruimte voor anderen: jonge kunstenaars die in het Herman van Veen Arts Center in Soest een kans krijgen zich te ontwikkelen.

Een vraaggesprek met Herman van Veen kan niet gaan over wat hij allemaal maakt, maar wel over hoe hij maakt. ‘Je ervaart veel’, zegt hij. ‘Je vindt een vorm. Je laat het los.’

Zo simpel is het?

‘Nu wel. Maar mijn vader zou gezegd hebben: je hebt er 69 jaar over gedaan. En dat is ook zo.’

Hoe zou je jezelf als kunstenaar omschrijven?

‘Ik ben eigenlijk een muzikant die taal gebruikt, en humor. De humor gebruik ik om mijn falen te laten zien, mijn onhandigheid. En dat is ieders onhandigheid. We blijven immers allemaal tobben met werkelijkheden waar we geen macht over krijgen. In ons eigen leven – zeker als je ouder wordt – maar ook als samenleving. Al die over elkaar tuimelende revoluties! De industriële revolutie was een slak vergeleken met de digitale revolutie. Wat gebeurt er allemaal, in zo’n korte tijd! Hoe kort geleden is het nog dat Mandela vrij kwam? De Muur viel?’

En wat is jouw gave?

‘Ik ben een reiziger en vertel van mijn reizen: de verbijstering, verwondering, bewondering. Ik heb weinig fantasie, maar kan wel vertellen wat ik zie en meemaak. En dan kies ik voor het kleine, nabije, het individuele. Maar dan op zo’n manier dat het niet alleen over mij gaat. Ik zing momenteel een lied over de vele handen van mijn moeder: harde handen, warme handen, bitse, sterke, trillende en uiteindelijk roerloze handen. Dat lied gaat dan over ieders moeder.’

Verandert jouw kunst, naarmate je ouder wordt?

‘Ik heb het idee dat ik steeds meer afgepelde woorden tot mijn beschikking heb. Steeds beter kan kiezen: dat snap ik al, daar ga ik niet meer heen, daar luister ik niet meer naar, daar wil ik aandacht aan geven. Ouder worden is prachtig, ik vind het bijzonder jammer dat er op enig moment – waarschijnlijk – een eind aan komt. Het leven is slopend mooi.’

Waarom slopend?

‘Omdat in elke gruwel ook schoonheid zit, en andersom. Het is altijd allebei. Er is in de muziek geen consonant zonder dissonant. Ze hebben elkaar nodig en het spel daarmee zorgt voor schoonheid. Dat geldt voor een voorstelling – die kan niet alleen maar zonnig zijn – maar ook voor het echte leven. Ik zag pas een vriend uit het ziekenhuis komen. Hij had er ellende meegemaakt, maar zoals hij naar buiten kwam, zo krachtig! Het kapotte en het hele: het is er altijd allebei.’

Onze cultuur wil het negatieve liever niet zien. Of oplossen.

‘Ik herken dat wel, maar vind het moeilijk om iets over onze cultuur te zeggen. Dat is me te groot. Eerder vandaag sleutelde ik aan een liedtekst over een verzonnen instituut in Thailand, waar meisjes leren blozen, om hun onschuld te bewijzen aan mannen die hen zouden willen kopen. Daarmee wil ik ook iets zeggen over onze tijd, waarin alles te koop is. Al weet ik zeker dat veel mensen die het lied straks horen daar niet aan denken. Maar dat hoeft ook niet.’

Nee? Maar dan word je niet begrepen!

‘Het is niet aan mij om te bepalen welke laag mensen uit mijn liedjes halen. Dat mogen ze zelf weten. De fazant is niet mooi voor de kraai, maar voor zijn verkering.’

Wie is jouw verkering?

‘Mijn vrouw, Gaëtane Bouchez. Daar ben ik mooi voor.’

Maar jij wilt meer dan mooi zijn. Je wilt ook laten zien hoe mooi het leven is.

‘Dat mogen mensen er best in zien, maar dat ga ik niet bevestigen. Kijk, ik lees graag de stukjes van Arnon Grunberg in de Volkskrant: die vind ik vaak fascinerend. Maar hij vertelt alleen maar wat hem bezighoudt. Dat doe ik ook. Zoals mijn vader vroeger zei: “Ik heb nu toch een mooi viswatertje gezien! Je moet echt eens mee naar dat viswatertje!”’

Een Duitse krant schreef: Van Veen is alsmaar aanweziger op het podium.

‘Omdat ik steeds meer zie. Maar dat is geen kracht. In wezen is het: alsmaar kwetsbaarder durven zijn. Bewustzijn zit niet in kracht, eerder in bewondering voor de wereld. Kijk naar dat bos, daarbuiten: al die kleuren groen. Ik kan het nooit geschilderd krijgen, maar ik wil het wel proberen. En daarmee zeg ik: “chapeau, bos!”’

En als jij niet meer kunt scheppen?

‘Dan ben ik dood.’

Wat wil je ‘nog’?

‘Daar ben ik niet mee bezig. Ik geniet onvoorstelbaar van dit bestaan. Deze week speelden we in Berlijn, het was zo’n prachtige avond. Dan loop ik om half twee ’s nachts door die stad, mijn viool onder de arm. Ik besta. Ik besef. Maar er is geen plan.’

Je houdt het ook vol?

‘Het gaat alsmaar gemakkelijker. Wat wel verandert is dat ik me langer voorbereid. Vroeger kon ik zo gaan spelen, nu verdwijn ik om drie uur ’s middags al in mijzelf, zodat ik om acht uur het toneel op kan. Ik focus me op de voorstelling. Die concentratie beschouw ik als een eerbetoon aan het moment. Dat verdient het.’

Heb je wel eens dorre periodes? Dat er niks komt?

‘O, zeker. Vaak blijkt dan achteraf dat er iets nieuws aan het groeien was, maar dat zag ik dan niet. Soms zijn er ook periodes in je leven die volstrekt oninteressant zijn. Maar ik heb zo’n fantastisch vak: ik kan ook liedjes en grappen maken over het niet-weten. En ook dat herkennen mensen…’

Je hebt veel invallen, maar je werkt ook hard.

‘Ik kan niet voorspellen wanneer ik opeens sta te schilderen, of wanneer ik een idee krijg voor een lied. Maar als dat gebeurt, heeft mijn kunst ook een ambachtelijke kant. Het werken begint als ik de clou heb gevonden. Een lied of een sketch is het zo lang mogelijk uitstellen van de clou.’

Da’s ook een mooi beeld voor het leven en de dood.

‘Eigenlijk hoop ik dat de dood zegt: laat die man nou maar lekker z’n dingen doen. Dat ik word overgeslagen.’

Die kans is niet zo groot.

Herman schuift naar het puntje van zijn stoel. ‘Dit begrijp ik zelf ook nog niet’, zegt hij. ‘Maar ik denk wel eens dat wij aan het einde worden wat we hebben begrepen. Je moet als wezen klaar zijn voor de volgende vraag. Als je inzicht krijgt, als mens of als generatie, dan kun je doorgroeien. Dan krijg je een andere toon, als het ware. Of nee, niet als het ware, maar letterlijk: ik denk dat het hele bestaan geluid is.’

Sterven is dan een andere toon worden?

‘Ik vraag me af of er zoiets bestaat als sterfelijkheid. We zullen een andere vorm krijgen. De vraag is alleen of ik er besef van zal hebben.’

Dit is fascinerend. Maar ook moeilijk, zeker voor een interview als dit.

‘Dit is heel praktisch. Ik kan niet praktischer zijn dat dit. Je moet je geen zorgen maken over je lezers hoor. Mensen zijn gefascineerd als jij dat bent. Je weet nooit wat je voor hen betekent.

Ik speelde pas in Duitsland een wensconcert en kreeg verzoeken toegestuurd. Er zaten zulke indringende en persoonlijke brieven bij, van mensen voor wie een zin of lied van mij ooit betekenis had gekregen. En pas hadden we hier een bus met verstandelijk beperkten. Zo blij waren ze, met elk lied. Ik knuffelde ze bijna naar god en ik geneer me er niet meer voor om te zeggen dat ik dit geweldig vind.’

Geneerde je je dan?

‘Joh, ik was met twintig jaar al een soort beroemd. Dat gaf een balk in mijn borst, van alle verwachtingen. Nu geef ik gewoon wat ik te geven heb en kan ik alleen maar dankbaar zijn voor wat ik te doen heb.’

 

Kader

Herman van Veen (1945) speelt viool, zingt, schrijft, componeert, regisseert, acteert en schildert. Hij debuteerde in 1965 en treedt overal ter wereld op. Sinds zijn zeventiende is hij activist voor de Rechten van het Kind, onder andere voor Unicef. Hij bedacht Alfred Jodocus Kwak, een eendje dat mede door een 52-delige televisieserie wereldwijd bekend werd.

Van 23 oktober tot en met 6 december speelt hij in Carré; dinsdag 25 november is zijn vijfhonderdste voorstelling in het Koninklijk Theater. Tickets via www.carre.nl. Zie voor de complete speellijst: www.hermanvanveen.com

Reacties

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.