Hij heeft de interesse en de levenshouding van een kloosterling, maar mist ‘een innig contact met een opperwezen’. Tommy Wieringa werkt graag in kloosters aan zijn romans, want toewijding maakt uiteindelijk gelukkig, vindt hij. ‘Soms vind je woorden die telkens weer oproepen wat je wilde uitdrukken. Dichter bij de eeuwigheid kom ik niet.’

Op tafel ligt mijn eigen exemplaar van De Heilige Rita, zijn laatste roman. Er zitten ezelsoren in gevouwen, op de (vele) bladzijden waar iets moois staat. In de pauzes van ons vraaggesprek in vakantietempo pakt Wieringa het boek af en toe op, zoekt even en leest dan een zin voor. Niet met de trots van degene die de zin maakte, maar met het plezier van degene die de zin vond. En dan grinnikt hij.

Zo begint het interview met Tommy Wieringa dat ik maakte voor Klooster! Magazine, verschenen op 3 oktober 2018. Af en toe maak ik een verhaal dat ik met genoegen teruglees. En nog eens. Dit is er zo een. Een fragment:

‘Ik ben eerder bang voor dingen die niet veranderen dan voor dingen die verdwijnen. Hoewel ik wel een tijd gehoopt heb dat een roman eeuwigheidwaarde heeft. Daar ben ik wel eens somber over. Het belang van de roman in onze cultuur neemt snel af. Vooral omdat mensen dat voortdurend herhalen. En nou doe ik er nog aan mee ook.’

Komt er iets in de buurt van eeuwigheid?

‘Ik was eens een maand op de Engelse oostkust, waar ik werkte aan mijn boek Caesarion. Het was mistig, maar boven de mist was de zon al opgekomen. Ik zag hoe een leeuwerik recht omhoog vloog, door de mist heen. En pas toen hij in het licht was, uit mijn zicht, hoorde ik hem zingen.

Ken je de zang van een leeuwerik? Levendiger wordt het niet op aarde. En ik hoorde dat boven de wolken en schreef het op in mijn dagboek met precies de goede woorden. En toen ik dat eens herlas, gebeurde het opnieuw – de leeuwerik, de mist, het zingen. Daar heb ik een kinderlijk plezier in – en dichterbij de eeuwigheid kom ik niet.’